Het verbetertraject...of; de oude " dossieropbouw" gecodificeerd..

Wat houdt een verbetertraject precies in? En hoe lang moet dat duren?

Een werkgever moet concreet kunnen aantonen dat hij de werknemer voldoende gelegenheid heeft gegeven om zich te verbeteren. Een verbetertraject is vormvrij, maar moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen.

Een rechter zal een ontslagaanvraag wegens disfunctioneren afwijzen als de werkgever de werknemer niet in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld om zijn functioneren te verbeteren. In de praktijk betekent dit twee dingen: een werkgever moet zich aantoonbaar hebben ingespannen om de werknemer tot een verbetering te laten komen en de werknemer moet voldoende tijd hebben gehad om zijn prestaties te verbeteren. Deze twee zaken vloeien in de praktijk samen in een verbetertraject of verbeterplan.

Concrete afspraken tussen werkgever en werknemer

Voor een werkgever is het belangrijk om, bij aanhoudende kritiek op het functioneren van de werknemer, afspraken met de werknemer te maken over een verbeterplan. Hoewel de wet niet voorschrijft hoe dit verbeterplan eruit moet zien, zijn er wel een aantal vuistregels te melden:

·         Duur. De wet schrijft niet voor hoe lang een verbeterplan moet duren, maar de periode moet in elk geval zo lang zijn dat de werknemer voldoende tijd heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren. Maar hoe lang is dit? Dat hangt af van een aantal factoren zoals de aard van het disfunctioneren en de lengte van het dienstverband. Als het gaat om relatief eenvoudige werkzaamheden die de werknemer eigenlijk al lang onder de knie zou moeten hebben, is een traject van enkele weken soms al voldoende.  Gaat het echter om relatief nieuw taken of werkzaamheden, dan wordt al gauw van de werkgever verwacht dat het verbetertraject enkele maanden duurt.

·         Overleg met de werknemer. Een rechter zal ook beoordelen of het verbeterplan een eenzijdig dictaat van de werkgever is geweest of dat er sprake is van redelijk overleg. Is de werknemer ook gevraagd hoe hij naar het verbetertraject kijkt en/of hij behoefte heeft aan bepaalde ondersteuning of aanvullende opleidingen?

·         Concrete doelstellingen en voorbeelden. Een werkgever moet in het verbeterplan concrete en realistische doelstellingen opnemen en voorbeelden. Deze doelstellingen moeten binnen de gestelde termijn haalbaar zijn voor de werknemer.

·         Begeleiding en ondersteuning. De werkgever moet in het verbeterplan ook beschrijven welke begeleiding en ondersteuning de werknemer aangeboden wordt. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om extra coaching en begeleiding, maar ook om een training of cursus.

·         Tussentijdse evaluaties. Een goed verbeterplan kent ook een aantal tussentijdse evaluaties.

·         Gevolgen bij een onvoldoende uitkomst van het verbeterplan. De werkgever moet ook aangeven wat de gevolgen zijn als hij van mening is dat de werknemer aan het einde van de rit nog steeds niet naar behoren presteert (ontslag, demotie).

 

 

Kan de bank de restschuld innen op basis van de hypotheekakte?

Arrest Rabobank/Visser

Bij de inning van een restschuld rijst de vraag of de kredietverstrekker daarbij gebruik kan en mag maken van de hypotheekakte. In het arrest Rabobank/Visser (NJ 1993/449) heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat aan de grosse van een authentieke akte slechts executoriale kracht toekomt met betrekking tot op het tijdstip van verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen, alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding.

De Hoge Raad (HR 8 februari 2013, LJN BY4889) heeft zich onlangs wederom uitgesproken over de vraag of de grosse van een hypotheekakte een executoriale titel oplevert voor de inning van een restschuld. In deze zaak was niet gebleken van het bestaan van enige concrete vordering of concrete rechtsverhouding waaruit een vordering kon voortvloeien. Naar het oordeel van de Hoge Raad kan de grosse van de onderhavige tussen partijen opgemaakte notariële hypotheekakte daarom niet worden aangemerkt als een executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv voor de na de uitwinning van het hypotheekrecht resterende vorderingen uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening, ook niet voor zover die reeds bestonden ten tijde van het verlijden van de hypotheekakte.

Vordering of rechtsverhouding moet voldoende bepaald zijn in de akte

Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van de bevoegdheden die een notariële hypotheekakte aan de hypotheekhouder geeft, valt het bestaan daarvan volgens de Hoge Raad alleen te aanvaarden indien de vordering waarvoor deze is verleend met voldoende bepaaldheid in de akte is omschreven. Een zogenaamde boekenclausule in de hypotheekakte is daarbij niet voldoende. Immers, daarmee wordt het bestaan van een concrete vordering niet vastgelegd, maar is het bewijs daarvan afhankelijk gemaakt van een buiten de akte gelegen bron (de administratie van de hypotheekhouder).

Conclusie

Om een restschuld op basis van een bestaande hypotheekakte te kunnen innen is (en blijft) het noodzakelijk om te bezien of de vordering voldoende (bepaald) in de akte is omschreven. Duidelijk moet zijn voor welke vordering de executie (lees: inning van de restschuld) plaats zal vinden. Een enkele beroep op de boekenclausule door de hypotheekhouder is daartoe in beginsel niet voldoende. Wanneer geoordeeld moet worden dat een vordering niet voldoende bepaalbaar is omschreven in de hypotheekakte, dan dient de hypotheekhouder zich eerst te wenden tot de rechter om alsnog een toereikende executoriale titel te halen voor de inning van de restschuld.

Roerend of onroerend en wat is het verschil?

De Hoge Raad heeft zich in een arrest van 9 maart 2012 uitgelaten over de vraag of een water woning worden aangemerkt als schip en daarmee in beginsel een roerende zaak is.  Over deze materie is al eerder een (inmiddels; standaard) arrest gewezen, het zogenaamde Portacabin-arrest. De Hoge Raad oordeelt in dit nieuwe geval min of meer in lijn met voornoemd arrest.

Waterwoning: roerend of onroerend ?

De Hoge Raad diende zich dus uitlaten over de vraag of de betreffende waterwoning (de “Marina”) roerend of onroerend was. Uitgangspunt voor het onderscheid tussen roerend en onroerend is artikel 3:3 BW. Dit artikel bepaalt dat als onroerend wordt aangemerkt: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn – een restcategorie, dus. In deze zaak was in geschil of de waterwoning als onroerende zaak diende te worden beschouwd. De waterwoning bestaat uit een betonnen caisson (drijflichaam) dat is bevestigd aan twee palen met twee dubbele beugels die langs deze palen vrij op en neer kunnen bewegen met de waterstand. De beugels zijn met bouten aan het drijflichaam bevestigd. De palen zijn ongeveer 15 meter lang en zijn 7 meter in de ondergrond gedreven. De voorzieningen voor elektriciteit, telefoon, water, gas en riool zijn met flexibele verbindingen en snelkoppelingen aangesloten aan de vaste aansluitingen aan de wal.

Schip is een roerende zaak

De Hoge Raad stelt eerst vast dat een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, moet worden aangemerkt als schip in de zin van artikel 8:1 BW. In dat kader verwijst de Hoge Raad naar zijn eerdere uitspraak (HR 15 januari 2010, LJN BK 9136) waarin de Hoge Raad overwoog dat een schip in het algemeen een roerende zaak is. Dat wil niet zeggen dat op een schip geen hypotheek kan worden gevestigd, dat kan immers op registergoederen zodat een ingeschreven schip kan worden bezwaard met een recht van hypotheek. De klacht van de belastingdienst was onder meer gericht op de stelling dat de waterwoning geen zelfstandig drijfvermogen heeft en dat de bevestiging aan de palen moet voorkomen dat het gaat kantelen. Volgens de Hoge Raad rechtvaardigt dat niet de conclusie dat de waterwoning niet zou zijn bestemd om te drijven en/of drijft in de zin van artikel 8:1 BW. De Hoge Raad maakt lijkt ruimte te laten voor de mogelijkheid dat een schip onroerend kan zijn, maar in welke gevallen dat dan is geeft de Hoge Raad niet aan.

Bestanddeel van een onroerende zaak

Het tweede anker waar de belastingdienst voor gaat liggen heeft betrekking op de stelling dat de waterwoning bestanddeel is van het recreatiepark waar de waterwoning ligt. De belastingdienst doet daarmee een beroep op artikel 3:4 BW, waarin is bepaald dat al hetgeen volgens de verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, wordt gezien als bestanddeel van die zaak. De Hoge Raad oordeelt hierover als volgt:

“Bij de beantwoording van de vraag of de Marina’s bestanddeel in de zin van artikel 3:4 BW van een onroerende zaak zijn, dient niet het recreatiepark als mogelijke hoofdzaak in aanmerking te worden genomen, maar – voor iedere afzonderlijke marina – de grond onder en naast die marina. Daarbij kan de verkeersopvatting alleen in aanmerking worden genomen in de gevallen dat onzekerheid bestaat of die marina kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd (zie HR 31 oktober 1997, nr. 16404, LJN ZN2478, NJ 1998/97, onderdeel 3.3, letter d). Dit is geen aspect dat zelfstandige beoordeling behoeft naast de vraagpunten waarop het arrest HR 15 januari 2010, nr. 07/13305, LJN BK9136, BNB 2010/80, betrekking heeft”.

Dat de verkeersopvatting alleen in aanmerking kan worden genomen in de gevallen waarin onzekerheid bestaat of de Marina kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, is in lijn met het Portacabin-arrest. Aangezien de Hoge Raad al heeft vastgesteld dat de Marina roerend is en dus niet duurzaam met grond is verenigd zijn de verkeersopvattingen hier niet van belang.

Hoewel het een uitspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad betreft, is deze uitspraak van belang voor de civiele praktijk. De Hoge Raad verduidelijkt immers wanneer een zaak roerend is. Hoewel roerende zaken een wettelijke restcategorie zijn, oordeelt de Hoge Raad toch dat nu juist voldaan is aan de (specifieke) definitie van een schip, de betreffende zaak dus een schip, en daarmee dus ook (in beginsel) roerend is. Het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken is onder meer van belang is de financieringspraktijk (verpanding van woonboot is bv. mogelijk) en de faillissementspraktijk en komt veelal aan de orde bij de beantwoording van de vraag wie zich op de opbrengst van zo’n zaak kan verhalen. Immers, onroerende zaken kunnen niet worden verpand; daarop kan alleen een hypotheek gevestigd. Vanuit fiscaal oogpunt is het onderscheid tussen roerend en onroerend onder meer van belang voor de vraag of de betreffende zaak onderhevig is aan onroerendezaakbelasting (OZB).

 

BESLAG:

Crediteuren hebben de keuze om op inkomen en/of vermogen beslag te laten leggen. Bij beslag op inkomen geldt een beslagvrije voet. Bij beslag op vermogen niet. Dat houdt in dat bij een bankbeslag alles dat op een gegeven moment op de bankrekening staat vatbaar is voor en onder het gelegde beslag valt. Dus wanneer de deurwaarder onder de bank in plaats van onder de werkgever of het UWV beslag legt kan de crediteur het hele loon of de hele uitkering incasseren.

Ik heb begrepen dat in Nederland ongeveer 450 duizend keer jaar beslag wordt gelegd (!) en dat op het moment dat uitkeringen betaalbaar worden gesteld de deurwaarders zich in drie rijen dik voor de deuren van de banken verzamelen. Dat leidt tot problemen met betaling (en dus ook ontvangst)van de huur, schoolgeld en zo meer.

Onlangs heeft een rechter bepaald dat dit verschil onredelijk is en ook bij bankbeslagen rekening gehouden moet worden met de noodzakelijk minimale uitgaven van een huishouden omdat het anders tot nieuwe en grotere financiële problemen leidt. Het klinkt misschien sociaal, maar ik vind het een goede ontwikkeling. Weer een achterdeurtje dicht en het systeem op zich verstevigd.

Zijn we het hier niet mee eens, dan zal dat via democratische (parlementaire) weg gewijzigd moeten worden.

Het is natuurlijk wel een uitspraak in een incidenteel geval, dus deze bezwaren zullen voorlopig via de rechter hard gemaakt moeten worden.